Vandaag is het dinsdag, dus dit moet Servië zijn.
Sinds het vorige verslagje hebben we heel wat kilometers verzameld, en ook wat grenzen afgetikt. Gelukkig geen Oezbeekse ervaringen (zie Gedoe in een verslag van vorig jaar), tot nu gaan de grenzen meestal met een vaartje van 50 en op zijn slechtst stapvoets langs de controles dus helemaal prima. Zoals de titel al aangeeft, zitten we nu in Servië op een prachtige kleine bergcamping in een nationaal park. Straks een haardvuurtje (heerlijk, het is best koud s avonds), en een praatje met de andere gasten, 2 Britten en drie Duitsers. Campingeigenaar is er niet meer (wilde nog een paar dagen paragliden voor hij weer ging werken), maar we konden gerust een vuurtje stoken. Heerlijk relaxed zo, het lijkt bijna vakantie. En we hebben hier een nieuw vakje op de vakantiebingo (daarover later meer) kunnen afstrepen, namelijk het bijzondere sanitair. Zonnebrand smeren voor het douchen hadden we nog niet eerder meegemaakt.

Maar eerst hoe we hier terecht zijn gekomen, want het vorige verslagje eindigde in Ljubljana, zo’n 8 uur en 700 km noordelijker.
Het verjaardagseten bij Gric was in ieder geval fantastisch, het begon wat heftig met een amuse van Duck Brain en een creme van een niet nader benoemd weekdier (mosselen?) maar was verder echt geweldig, met als hoogtepunten de aan tafel gestoomde forel en gekarameliseerde wei (nee, niet de paardenwei) met bosvruchten colis. Het fantastische uitzicht, de lokale wijnen en alweer een whisk(e)y cocktail maakte het helemaal af.

De dagen erna hebben we kilometers vreten (minder lekker!) gecombineerd met wat bezienswaardigheden, zoals de Plitvice meren in Kroatië (mooi!) en Jajce, een eeuwenoud stadje in Bosnië, dat behalve een indrukwekkende waterval ook een prima lunchrestaurant had.

Onderweg viel nog een losstaand trapgebouw op, ik weet nog steeds niet of het nu een overblijfsel of een begin van een flat was.
De vrijdagavond eindigde in Sarajevo, een apart(h)otel op een heuvel dus prachtig zicht op het centrum maar ook een enorme klim na een prima etentje (en wat wijn).
Zaterdag vooral door het centrum van Sarajevo gedwaald, en ons laten verbijsteren door de bewogen geschiedenis waarvan we maar een heel klein beetje wisten. De aanslag op kroonprins Franz-Ferdinand als begin van WO1, de Olympische Spelen van 1984 en natuurlijke de eerste Balkan oorlog waren wel bekend, maar ik had in ieder geval weinig onthouden van de bijna 4 jaar durende belegering, en net zo min wist ik dat er zoveel Ottomaanse invloeden waren. Ook heel bijzonder om letterlijk met een stap van het Westerse deel in Oost-Sarajevo te komen, met bijbehorende koffietentjes, moskeeën en kruipdoor-sluipdoor straatjes. Echt een enorm verrassende stad, en meer tijd waard dan dit bliksembezoek.
Op zondag hebben we nog wat meer geproefd van de recente geschiedenis, door de in Urbex kringen beroemde bobslee baan in 1984 te bezoeken. Hij hangt inmiddels van graffiti aan elkaar, mede omdat het tijdens de Balkanoorlog gebruikt werd als artillerie standplaats.

Ook de Tunnel of Hope (de enige manier waarop tijdens belegering Sarajevo bereikbaar was) maakte indruk, ondanks dat er relatief weinig van overgebleven is.
Maar absolute de meeste indruk heeft het bezoek aan Srebrenica gemaakt. Dit was voor mij het meest bekend vanwege de val van de enclave in 1995 en de rol van Dutchbat, maar de tentoonstelling rondom de Death March was erg heftig. Het voelde ook vreemd om direct daarna Servië in te rijden, op weg naar de meest verrassende camping tot nu toe, waar ook deze tekst begon.
Maar inmiddels is het donderdag en moet dit dus Montenegro zijn, maar dat, lieve kijkbuiskinderen, bewaren we voor een volgende blog, dus nu oogjes open en snaveltjes ook, want we gaan eten.